Armoede en kinderen: 'It's in our hands'
Inleiding Provinciale bijeenkomst 24 juni 2010
Stichting Gelderse Aanpak
Thema: Armoede en kinderen
Als klein meisje heb ik veel armoede van dichtbij gezien. Ik ben opgegroeid in Maputo, de hoofdstad van Mozambique, de stad waar ik in 1976, een jaar na de onafhankelijkheid ben geboren. Tot 1975 is Mozambique een kolonie van Portugal geweest. Mijn zusje en ik bezochten de lokale school, in de buitenwijk waar we woonden. ‘s Ochtends stonden we in rijen het nieuwe volkslied te zingen. Daarna gingen we de veel te kleine klaslokaaltjes in, waar de helft van de kinderen op de grond zat. Kinderen zonder schoenen, zonder schoolboeken. Na twee jaar zijn we naar de internationale school gegaan en dat bizarre contrast is niet aan mij voorbijgegaan. Plotseling zat ik op de school met de rijke kinderen, met zwembaden en grote bewaakte villa’s. Ik geloof nog steeds dat mijn sterke rechtvaardigheidsgevoel in die tijd is ontstaan.
Ik ben de politiek ingegaan omdat ik een verschil wil maken. En ik hou me dan ook met twee handen vast aan de momenten dat dit lukt, hoe klein die momenten soms ook zijn. Het raakt me nog steeds iets voor elkaar te krijgen ,een verbetering in de persoonlijke situatie van mensen die het moeilijk hebben.
Het is verleidelijk, om in het licht van mijn eigen jeugd te beweren dat ik armoede ken. Maar dat zou niet waar zijn. Wel weet ik hoe armoede er uit ziet. Ik weet hoe onrechtvaardig het voelt dat het ene kind alle kansen krijgt en de ander bij voorbaat kansloos is om iets van het leven te maken. Elk leven is in essentie evenveel waard, maar de pijnlijke realiteit is dat niet elk leven even waardig is.
Nou is armoede in Afrika moeilijk te vergelijken met die in Nederland. Inderdaad, het is allemaal relatief. Maar voor mij maakt het de armoede in Nederland niet minder erg. Want we hebben hier alle ruimte om andere keuzes te maken. In een van de rijkste landen ter wereld hoeven kinderen niet in armoede op te groeien. Toch gebeurt het wel, en wij laten het gebeuren. In elke klas zitten drie kinderen die niet elke avond warm kunnen eten. In een rijk land als Nederland mogen we dat niet accepteren.
‘It's in our hands’ luidt de slogan van Nelson Mandelas stichting die kinderen met Aids helpt. Geloof in, en inspiratie zijn de drijvende kracht achter elke wezenlijke verandering, maar ook achter veel subtiele verbeteringen. Zonder dromen geen droomwereld.
Dit klinkt u wellicht naïef in de oren? Misschien is het dat ook. Maar wat is het alternatief? Het is de enige houding die ons past bij de ambitie om armoedebeleid echt te verbeteren. En hoewel ik liever grote veranderingen zou zien, besef ik ook dat alle kleine beetjes helpen. Maar ik denk ook, dat zelfs om kleine stapjes te kunnen zetten, je grote dingen moet geloven. Voor mij geldt dat in ieder geval wel.
Misschien is het handig om te verhelderen wat ik onder armoede versta. In ieder geval niet alleen een tekort aan geld. Naast inkomen, zijn opleidingsniveau, maatschappelijke participatie, gezondheid, zelfredzaamheid, wonen en leefomgeving factoren die armoede kunnen beïnvloeden.
Naast die brede definitie van armoede blijft de financiële component wel een belangrijke graadmeter voor veel gemeentelijk beleid. Waar de armoedegrens ligt is een politieke keus. De politieke perceptie van wat armoede is verschilt per partij. Voor mij persoonlijk ligt die grens bij 130 procent van de bijstandsnorm. Wie moet leven van minder gaat naarmate de tijd vordert tegen de grenzen van tekortschieten aanlopen en er op den duur over heen. Dit maakt je wereld steeds kleiner. Armoede sluipt je leven binnen en tast langzaam je zelfvertrouwen aan. En daar komt nog bij dat armoede vrouwen onevenredig vaak treft. Veel alleenstaande moeders belanden, na een scheiding, in de bijstand. En het zijn vaak de kinderen die daar de rekening voor betalen. Om kinderen uit armoede te halen moeten we ervoor zorgen dat zowel de kinderen als de ouders betere kansen krijgen. Dat we in talent investeren.
Maar waar te beginnen? Bij eerder ingrijpen. Eerder ingrijpen is de enige manier om de strijd tegen armoede te winnen. Wachten totdat mensen verzuipen in schulden of uit hun huis worden gezet lijkt nu de norm te zijn. Gemeenten hebben veelal een passieve houding. Om aan armoede een eind te maken moet kansenarmoede worden doorbroken, we moeten er voor zorgen dat dit niet van generatie op generatie wordt doorgegeven. Om dit te kunnen doorbreken moeten gemeentes behalve preventief ook actief handelen. Daar is nieuw beleid en een cultuuromslag voor nodig.
Voorwaarde hiervoor is goed samenwerken met partners in de gemeente zodat problemen in een vroeg stadium gezien worden. Samenwerken met alle organisaties die met armoede te maken hebben; welzijnsorganisaties, initiatieven als een Voedselbank. Gezamenlijk een pact sluiten om armoede te lijf te gaan. En wat vaak over het hoofd wordt gezien: Bij een actieve en ambitieuze aanpak van armoede hoort een goede relatie met het onderwijs. De signaleringsfunctie die het onderwijs zou kunnen vervullen kan heel waardevol zijn doordat er in een vroeg stadium kan worden ingegrepen. Zo hoeft er niet eerst een groot probleem te ontstaan voordat mensen bij de gemeente in het vizier komen. Sneller ingrijpen is wenselijk ook omdat het domweg goedkoper is om niet achterover te leunen en te wachten totdat het uit de hand is gelopen. Want dat kost pas geld.
Echt perspectief bieden begint bij goed onderwijs. Het bieden van kansen en bestrijden van ongelijkheid kan nergens zo effectief. Gelijke kansen hebben hun wortels in het basisonderwijs.
Je kunt niet vroeg genoeg beginnen. Alle kinderen zouden in mijn ogen gebruik moeten maken van een vorm van voorschoolse educatie. Het verlagen van de leerplichtleeftijd lijkt mij een goed plan. Maar ik wil niet dat die discussie het doel overschaduwt. Want hoewel de meningen hierover sterk uiteen kunnen lopen, bestaat er wel consensus over het streven naar optimale ontwikkelingskansen voor kinderen. Bestaande achterstanden wegwerken kan alleen als we er vroeg genoeg bij zijn. Het peuterspeelzaalwerk -in sommige gemeenten is daar een nieuwe basisvoorziening voor in de plaats gekomen, na een fusie tussen kinderopvang en peuterspeelzaalwerk- is daarvoor van cruciaal belang. Een dergelijke basisvoorziening moet deel uitmaken van een integraal jeugdbeleid en toegankelijk en betaalbaar zijn voor iedereen.
Ook de brede school biedt veel kansen. Door samenwerking met wijkcentra en voor- en naschoolse opvang hebben kinderen uit de wijk de mogelijkheid aan allerlei activiteiten mee te doen. En daardoor zichzelf te ontspannen, zichzelf te ontplooien en te ontdekken wat ze leuk vinden en waar ze goed in zijn. Als ook ouders en buurtbewoners actief meedoen aan wijkactiviteiten wordt het gevoel van veiligheid en vertrouwen versterkt. En dat geeft een goede basis voor een creatieve en speelse ontwikkeling van kinderen.
Het systeem in Nederland, onze inrichting van de arbeidsmarkt en onderwijs, is hopeloos verouderd en ontzettend onhandig om werk en gezin op een ontspannen manier te kunnen combineren. Opvallend is dat de voor- en naschoolse opvang vaak wordt ervaren als een noodzakelijk kwaad in plaats van een ontplooiingskans voor kinderen. In Nederland bestaat de goede, pedagogisch sterke buitenschoolse opvang zoals ze die in Zweden kennen niet. Waar hier soms afkeurend wordt gereageerd omdat je je kinderen dumpt bij de bso, is het in Zweden precies omgekeerd. Wie zijn kind niet naar de opvang brengt onthoudt hem of haar van ontwikkeling en groei.
Ook de directe leefomgeving van kinderen is belangrijk voor de ontwikkeling. Ik ben voorstander van een groen jeugdbeleid. Geïnspireerd geraakt door het rapport ‘Groen opgroeien’ van de Raad van het Landelijk Gebied. Deze adviseert het ministerie van LNV (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) en pleit voor een groener jeugdbeleid, onder meer door het introduceren van een groennorm. Naast de hoeveelheid ‘reguliere’ speelruimte zou er specifiek gekeken moeten worden naar de hoeveelheid groene speelruimte. Kinderen die groen opgroeien zijn creatiever, gezonder en beter sociaal ontwikkelt. Door een groennorm vast te stellen investeert de gemeente op een slimme manier in de toekomst.
Het wordt tijd om de gemeente een metamorfose te laten ondergaan. We moeten af van de gemeente als geldloket. De gemeente in optima forma is een kansenmakelaar die in mensen investeert.
Ik heb begrepen dat veel van de aanwezigen hier vandaag collega-raadsleden zijn. En ik hoor u denken: De komende tijd moeten we rigoureus bezuinigen. Maar door de introductie van het participatiebudget, waar verschillende geldstromen gebundeld worden, ontstaat er ruimte om te besparen door efficiënter te werken en slimme beleidsverbindingen aan te leggen.
Nederland heeft een lange traditie in het minutieus inrichten van haar publieke ruimte, maar de ware waarde van ons land ligt voor mij vooral in de mate waarin er geïnvesteerd wordt in de sociale infrastructuur. Als we straks immens moeten bezuinigen en we moeten kiezen tussen binnen- of buitenkant, tussen mensen of stenen, dan weet ik het wel. Goede scholen zijn belangrijker dan perfecte wegen. Als ik moet kiezen dan kies ik voor beter onderwijs.
Ik zal er niet omheen draaien: Goed sociaal beleid kost geld. En het mag ook geld kosten. Maar belangrijker om te onthouden is dat het loont, en op de lange termijn dus geld oplevert. Dé uitdaging waar lokale politici de komende tijd voor staan is om verder dan vier jaar te durven kijken en slim, sociaal en toekomstbestendig te bezuinigen.
Stichting Gelderse Aanpak
Thema: Armoede en kinderen
Als klein meisje heb ik veel armoede van dichtbij gezien. Ik ben opgegroeid in Maputo, de hoofdstad van Mozambique, de stad waar ik in 1976, een jaar na de onafhankelijkheid ben geboren. Tot 1975 is Mozambique een kolonie van Portugal geweest. Mijn zusje en ik bezochten de lokale school, in de buitenwijk waar we woonden. ‘s Ochtends stonden we in rijen het nieuwe volkslied te zingen. Daarna gingen we de veel te kleine klaslokaaltjes in, waar de helft van de kinderen op de grond zat. Kinderen zonder schoenen, zonder schoolboeken. Na twee jaar zijn we naar de internationale school gegaan en dat bizarre contrast is niet aan mij voorbijgegaan. Plotseling zat ik op de school met de rijke kinderen, met zwembaden en grote bewaakte villa’s. Ik geloof nog steeds dat mijn sterke rechtvaardigheidsgevoel in die tijd is ontstaan.
Ik ben de politiek ingegaan omdat ik een verschil wil maken. En ik hou me dan ook met twee handen vast aan de momenten dat dit lukt, hoe klein die momenten soms ook zijn. Het raakt me nog steeds iets voor elkaar te krijgen ,een verbetering in de persoonlijke situatie van mensen die het moeilijk hebben.
Het is verleidelijk, om in het licht van mijn eigen jeugd te beweren dat ik armoede ken. Maar dat zou niet waar zijn. Wel weet ik hoe armoede er uit ziet. Ik weet hoe onrechtvaardig het voelt dat het ene kind alle kansen krijgt en de ander bij voorbaat kansloos is om iets van het leven te maken. Elk leven is in essentie evenveel waard, maar de pijnlijke realiteit is dat niet elk leven even waardig is.
Nou is armoede in Afrika moeilijk te vergelijken met die in Nederland. Inderdaad, het is allemaal relatief. Maar voor mij maakt het de armoede in Nederland niet minder erg. Want we hebben hier alle ruimte om andere keuzes te maken. In een van de rijkste landen ter wereld hoeven kinderen niet in armoede op te groeien. Toch gebeurt het wel, en wij laten het gebeuren. In elke klas zitten drie kinderen die niet elke avond warm kunnen eten. In een rijk land als Nederland mogen we dat niet accepteren.
‘It's in our hands’ luidt de slogan van Nelson Mandelas stichting die kinderen met Aids helpt. Geloof in, en inspiratie zijn de drijvende kracht achter elke wezenlijke verandering, maar ook achter veel subtiele verbeteringen. Zonder dromen geen droomwereld.
Dit klinkt u wellicht naïef in de oren? Misschien is het dat ook. Maar wat is het alternatief? Het is de enige houding die ons past bij de ambitie om armoedebeleid echt te verbeteren. En hoewel ik liever grote veranderingen zou zien, besef ik ook dat alle kleine beetjes helpen. Maar ik denk ook, dat zelfs om kleine stapjes te kunnen zetten, je grote dingen moet geloven. Voor mij geldt dat in ieder geval wel.
Misschien is het handig om te verhelderen wat ik onder armoede versta. In ieder geval niet alleen een tekort aan geld. Naast inkomen, zijn opleidingsniveau, maatschappelijke participatie, gezondheid, zelfredzaamheid, wonen en leefomgeving factoren die armoede kunnen beïnvloeden.
Naast die brede definitie van armoede blijft de financiële component wel een belangrijke graadmeter voor veel gemeentelijk beleid. Waar de armoedegrens ligt is een politieke keus. De politieke perceptie van wat armoede is verschilt per partij. Voor mij persoonlijk ligt die grens bij 130 procent van de bijstandsnorm. Wie moet leven van minder gaat naarmate de tijd vordert tegen de grenzen van tekortschieten aanlopen en er op den duur over heen. Dit maakt je wereld steeds kleiner. Armoede sluipt je leven binnen en tast langzaam je zelfvertrouwen aan. En daar komt nog bij dat armoede vrouwen onevenredig vaak treft. Veel alleenstaande moeders belanden, na een scheiding, in de bijstand. En het zijn vaak de kinderen die daar de rekening voor betalen. Om kinderen uit armoede te halen moeten we ervoor zorgen dat zowel de kinderen als de ouders betere kansen krijgen. Dat we in talent investeren.
Maar waar te beginnen? Bij eerder ingrijpen. Eerder ingrijpen is de enige manier om de strijd tegen armoede te winnen. Wachten totdat mensen verzuipen in schulden of uit hun huis worden gezet lijkt nu de norm te zijn. Gemeenten hebben veelal een passieve houding. Om aan armoede een eind te maken moet kansenarmoede worden doorbroken, we moeten er voor zorgen dat dit niet van generatie op generatie wordt doorgegeven. Om dit te kunnen doorbreken moeten gemeentes behalve preventief ook actief handelen. Daar is nieuw beleid en een cultuuromslag voor nodig.
Voorwaarde hiervoor is goed samenwerken met partners in de gemeente zodat problemen in een vroeg stadium gezien worden. Samenwerken met alle organisaties die met armoede te maken hebben; welzijnsorganisaties, initiatieven als een Voedselbank. Gezamenlijk een pact sluiten om armoede te lijf te gaan. En wat vaak over het hoofd wordt gezien: Bij een actieve en ambitieuze aanpak van armoede hoort een goede relatie met het onderwijs. De signaleringsfunctie die het onderwijs zou kunnen vervullen kan heel waardevol zijn doordat er in een vroeg stadium kan worden ingegrepen. Zo hoeft er niet eerst een groot probleem te ontstaan voordat mensen bij de gemeente in het vizier komen. Sneller ingrijpen is wenselijk ook omdat het domweg goedkoper is om niet achterover te leunen en te wachten totdat het uit de hand is gelopen. Want dat kost pas geld.
Echt perspectief bieden begint bij goed onderwijs. Het bieden van kansen en bestrijden van ongelijkheid kan nergens zo effectief. Gelijke kansen hebben hun wortels in het basisonderwijs.
Je kunt niet vroeg genoeg beginnen. Alle kinderen zouden in mijn ogen gebruik moeten maken van een vorm van voorschoolse educatie. Het verlagen van de leerplichtleeftijd lijkt mij een goed plan. Maar ik wil niet dat die discussie het doel overschaduwt. Want hoewel de meningen hierover sterk uiteen kunnen lopen, bestaat er wel consensus over het streven naar optimale ontwikkelingskansen voor kinderen. Bestaande achterstanden wegwerken kan alleen als we er vroeg genoeg bij zijn. Het peuterspeelzaalwerk -in sommige gemeenten is daar een nieuwe basisvoorziening voor in de plaats gekomen, na een fusie tussen kinderopvang en peuterspeelzaalwerk- is daarvoor van cruciaal belang. Een dergelijke basisvoorziening moet deel uitmaken van een integraal jeugdbeleid en toegankelijk en betaalbaar zijn voor iedereen.
Ook de brede school biedt veel kansen. Door samenwerking met wijkcentra en voor- en naschoolse opvang hebben kinderen uit de wijk de mogelijkheid aan allerlei activiteiten mee te doen. En daardoor zichzelf te ontspannen, zichzelf te ontplooien en te ontdekken wat ze leuk vinden en waar ze goed in zijn. Als ook ouders en buurtbewoners actief meedoen aan wijkactiviteiten wordt het gevoel van veiligheid en vertrouwen versterkt. En dat geeft een goede basis voor een creatieve en speelse ontwikkeling van kinderen.
Het systeem in Nederland, onze inrichting van de arbeidsmarkt en onderwijs, is hopeloos verouderd en ontzettend onhandig om werk en gezin op een ontspannen manier te kunnen combineren. Opvallend is dat de voor- en naschoolse opvang vaak wordt ervaren als een noodzakelijk kwaad in plaats van een ontplooiingskans voor kinderen. In Nederland bestaat de goede, pedagogisch sterke buitenschoolse opvang zoals ze die in Zweden kennen niet. Waar hier soms afkeurend wordt gereageerd omdat je je kinderen dumpt bij de bso, is het in Zweden precies omgekeerd. Wie zijn kind niet naar de opvang brengt onthoudt hem of haar van ontwikkeling en groei.
Ook de directe leefomgeving van kinderen is belangrijk voor de ontwikkeling. Ik ben voorstander van een groen jeugdbeleid. Geïnspireerd geraakt door het rapport ‘Groen opgroeien’ van de Raad van het Landelijk Gebied. Deze adviseert het ministerie van LNV (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) en pleit voor een groener jeugdbeleid, onder meer door het introduceren van een groennorm. Naast de hoeveelheid ‘reguliere’ speelruimte zou er specifiek gekeken moeten worden naar de hoeveelheid groene speelruimte. Kinderen die groen opgroeien zijn creatiever, gezonder en beter sociaal ontwikkelt. Door een groennorm vast te stellen investeert de gemeente op een slimme manier in de toekomst.
Het wordt tijd om de gemeente een metamorfose te laten ondergaan. We moeten af van de gemeente als geldloket. De gemeente in optima forma is een kansenmakelaar die in mensen investeert.
Ik heb begrepen dat veel van de aanwezigen hier vandaag collega-raadsleden zijn. En ik hoor u denken: De komende tijd moeten we rigoureus bezuinigen. Maar door de introductie van het participatiebudget, waar verschillende geldstromen gebundeld worden, ontstaat er ruimte om te besparen door efficiënter te werken en slimme beleidsverbindingen aan te leggen.
Nederland heeft een lange traditie in het minutieus inrichten van haar publieke ruimte, maar de ware waarde van ons land ligt voor mij vooral in de mate waarin er geïnvesteerd wordt in de sociale infrastructuur. Als we straks immens moeten bezuinigen en we moeten kiezen tussen binnen- of buitenkant, tussen mensen of stenen, dan weet ik het wel. Goede scholen zijn belangrijker dan perfecte wegen. Als ik moet kiezen dan kies ik voor beter onderwijs.
Ik zal er niet omheen draaien: Goed sociaal beleid kost geld. En het mag ook geld kosten. Maar belangrijker om te onthouden is dat het loont, en op de lange termijn dus geld oplevert. Dé uitdaging waar lokale politici de komende tijd voor staan is om verder dan vier jaar te durven kijken en slim, sociaal en toekomstbestendig te bezuinigen.
1 reactie op dit artikel
Leo Kleijn | 26 april 2011 - 22:55 | | Link
Beste Lara .
In mijn werkveld komen wij regelmatig armoede tegen ,
Artsen die weigeren te opereren of eerst betalen omdat onze clienten ilegaal zijn .
Kinderen van ouders die ilegaal zijn,niet naar een tandarts kunnen niet naar school nauwelijks te eten ,omdat er geen verblijfs status is zij hebben hier niet om gevraagd .
klop je bij de gemeente aan nee u komt niet in aanmerking u heeft geen verblijfsvergunning.
Maar dat wisten wij al .helaas zoek het zelf maar uit.
